Schilderen

Op mijn vijftiende weigerde ik het voedsel dat mij voorgeschoteld werd op te eten. Mijn hersens konden de ruzies in ons gezin niet langer verdragen. Ik trok me op de bovenste verdieping in mijn kamer terug en deed niets anders dan met gekleurde viltstiften stippen zetten op Chinese lampen. Grote papieren bollen bij elkaar gehouden door cirkels van metaaldraad. Secuur zette ik puntjes op het rijstpapier. Drukte ik te hard, ging de stift dwars door het papier en kon de lamp bij het vuilnis. 

De spanning op de begane grond woedde door. Ik begreep er niets van. Het verstikte mij, maar ik had het geluk me in mijn eigen pointillisme te kunnen verstoppen. Het voelde als dansen in mijn hoofd. Door te blijven tekenen wist ik deze ingewikkelde periode te doorstaan. Het niet eten had me van een vrolijk jong meisje tot een uitgemergelde kampbewoonster gemaakt. Mijn ouders werden radeloos me zo te zien wegkwijnen. Ze benadrukten telkens hoe al onze oma’s, opa’s, tantes en ooms uitgehongerd in de concentratiekampen omgebracht waren tijdens de oorlog. Hoe durfde ik me in vredestijd zo te gedragen? 

In zijn wanhoop sloeg mijn vader me met mijn hoofd tegen de verwarming, waardoor ik me nog verder terugtrok in mijn stippenzetterij. Het ging zo ver dat er nog twee opties overbleven: dood of leven? Dat vrolijke meisje in mij koos voor het leven. Hapje voor hapje kwam ik weer onder de mensen. Potlood en pen werden mijn vrienden. Ik tekende ons huis, mijn kamer, ging naar Artis om dieren te schetsen en maakte zelfportretten. Op mijn zeventiende werd ik door mijn ouders gesommeerd het ouderlijk huis te verlaten. Nu ik weer at kon ik voor mezelf zorgen vonden ze. 

Ik besloot toelatingsexamen aan de Rietveld Academie te doen. Dankzij mijn goed gevulde tekenmap werd ik aangenomen. Tijdens een les moesten we ons werk ter beoordeling aan de wand ophangen. Ik had mijn speelgoedbeer geschilderd. Mijn creatie, waar ik zo trots op was, werd afgekraakt door mijn klasgenoten. De leraar keek zwijgend toe. Door dit voorval durfde ik de kwast niet meer aan te raken en liet deze passie varen. 

Na meer dan vijftig jaar edelsmeden, boetseren, beeldhouwen, vioolspelen, kostuums maken, decors bouwen, lichtplannen ontwerpen, films regisseren en boeken schrijven, belandde het penseel mede dankzij corona weer in mijn hand – om oude en nieuwe verhalen mee vorm te geven. 

Lientje. Onder die naam kende ik mijn oma. Op haar persoonsbewijs stond Carolina Elisabeth Mulder (Miller), gehuwd met Hijman Croiset.

Voor mij was deze vrouw een raadsel, misschien zelfs wel van mythische omvang.

Haar geest waarde iedere dag in ons ouderlijk huis rond. Ik moet ongeveer acht jaar geweest zijn toen ik de bof had en hoge koorts kreeg. Omdat mijn moeder niet telkens de trap op wilde lopen mocht ik op de divan in de woonkamer liggen. Die bof had me lelijk te pakken. Af en toe ijlde ik en het schilderij dat schuin tegenover mij hing leek steeds groter te worden. Ik stond op en ging ervoor staan. Het was mijn oma die vanaf de muur met donkere ogen me doordringend aankeek en tegen me begon te praten. Alsof ze over me wilde waken. Ze had grijze haren, dunne lange armen. Ze leek oud.

Dat portret, die blik, heeft me nooit meer verlaten. Ze werd door mijn ouders aanbeden. Dat schilderij gaf mijn moeder nog enig houvast in het leven. Zo leek het. Oma Lientje had de oorlog niet overleefd. ‘Vermoord’ was het woord dat ik vaak hoorde. Dat klonk zeer bedreigend. Vermoorden. Iemand met een geweer doodschieten. In mijn kinderlijke fantasie probeerde ik me voor te stellen hoe het was een ander bewust pijn te doen.

Lientjes vrienden waren schilders. Zij was hun model. Grote namen. Onbekenden. Geen idee wie het waren. Schilders. Een uitdagend woord. Als ik naar het portret keek wilde ik dat ook wel, schilder worden, verven met een penseel, stof maken met verf. Maar tijdens mijn kunstopleiding aan de Rietveld Academie verging mij dus de lust.

In 2010 kreeg ik een verhuisdoos in handen, met fotootjes van mijn oma Lientje onder andere. Een doos die mijn vader in paniek weg had willen gooien. Het betrof het archief van mijn oudtante Ro, de jongere zus van Lientje, die als enige van de familie Miller de oorlog overleefd had. Deze Lien oogde op de fotootjes totaal anders dan op het sombere schilderij uit de ouderlijke woonkamer waarop ze er gekweld, vol zorgen uitzag. Ze was een schoonheid, een model.

Toen mijn vader in 2019 overleed moest wat hij had nagelaten verdeeld worden. Ik had me voorgenomen dat ik niets hoefde te hebben. Geen fysieke herinneringen. Geen schilderijen. Weg met die jeugd. Weg met die angsten. Leven! Maar dat schilderij met die indringende blik liet me niet los.

In 2020 geveld door Corona, waar ik post-COVID aan overhield, besloot ik me serieus te gaan toeleggen op schilderen. Daarvoor was het lekker knoeien met verf geweest en had ik er plezier in gehad om mijn kleinkinderen vertrouwd te maken met penseel, verf en doek.

Al een aantal jaren stond er een opzet van een portret van mijn vader in mijn atelier op de ezel. Af en toe voegde ik er iets aan toe. Met olieverf. De meest merkwaardige draken die zijn gezicht deels afdekten. Hem probeerden te vernietigen, terwijl engelen om hem heen zweefden. Hersenspinsels. Angstgedachten. Het waren dezelfde draken die ik jaren eerder in klei geboetseerd had. Was ik bang voor mijn vader? Ja, doodsbang. Ik vond hem heel eng.

Door mijn vader af te beelden ontstond er rust in mijn hoofd. Het onprettige gevoel van me niet lekker voelen door corona verdween als sneeuw voor de zon. Iedere streek die ik zette maakte me gelukkig. Het kiezen en mengen van kleuren maakten mijn wereld vrolijk.

In mijn dromen verschenen er beelden voor nieuw werk. Telkens doemde het sombere gezicht van Lien voor mij op. Die treurige blik, die ogen. Miste ik haar? Had ik toch iets tastbaars uit de erfenis moeten aannemen? Was ik te rigoureus geweest alles achter me te laten?

Het portret van deze mysterieuze vrouw zou ik nooit meer zien. Lien, het interessante model van schilders, die door mijn vader een bohemienne genoemd werd. Een woord dat ik indertijd intrigerend vond. Wat hield dat in bohemienne?

Ik werd opnieuw door haar aangetrokken. Ik moest haar schilderen. Wie was die vrouw, was ze lief, was ze inderdaad zo mooi?

Als voorbeeld gebruikte ik een foto van het schilderij uit de woonkamer. Het was geschilderd door Jan Mulder, bij wie Lientje in 1942 in Amsterdam was ondergedoken. Daar zijn Lien en Jan verraden. Volgens mijn vader was het schilderij nooit voltooid. Ze werden opgepakt. Lien werd via Westerbork naar Auschwitz afgevoerd. Jan naar Dachau.

Tijdens het schilderen was het of ik haar bij iedere streek beter leerde kennen. Fascinerend. Waarom leek ze zo oud op het doek? Ze was pas eenenveertig. Ze zou in de bloei van haar leven moeten zijn. Zo wilde ik haar treffen.

Wat was het bijzonder om het schilderij op mijn manier te voltooien. Het kanten kraagje, de speld met de kobaltblauwe versiering.

Toen ik vond dat het doek af was, werd ik gretiger. Ik wilde meer van Lientje ontdekken en hoe vaker ik haar portretteerde hoe dichter ik bij haar ziel kwam. Ik schilderde haar met in haar armen een baby. En merkte hoe tragisch het was dat ze haar kleinkinderen nooit heeft kunnen vasthouden. Zo kreeg ze even een kleinkind in handen. Terwijl ik bezig was verscheen er op de achtergrond een hyena met scherpe tanden, die vals naar haar keek alsof hij haar het liefst de strot afbeet. Zij bleef er stoïcijns onder. Het grote gevaar deerde haar niet.

Mijn ouders, die haar een heldin vonden, had ze aangeraden onder te duiken.

Zelf begon ik naarmate ik langer in haar ogen keek steeds meer aan dat geromantiseerde beeld van mijn vader en moeder te twijfelen.

Mijn doeken werden steeds groter van formaat. Ten slotte schilderde ik Lientje bijna levensgroot. Ze had mijn moeder als baby op de arm. Intuïtief plaatste ik mezelf achter haar rok. Achter een oma, die ik nooit gekend had, kon ik me nu even verschuilen. De pop die uit de kinderwagen rolt verbeeldt de vierde generatie. Een kinderwagen, die later in mijn werk steeds weer zou opduiken. Op de achtergrond doemde Auschwitz op. Daar stond ze, die dappere, kleine, tanige vrouw. Met een jurk die ze zelf gemaakt had. Dat kon ik zien aan de stiksels en de knoopjes. Verrassend. Dat mijn moeder zo goed kon naaien had ze blijkbaar van haar moeder geleerd. Eigenlijk had ik het dus van mijn oma geleerd. De cirkel was rond. Ja oma, hoe mooi was het geweest als ik je gekend had. Hoeveel pijn moet het mijn moeder hebben gedaan toen ze mij de kneepjes van het vak uitlegde.

En weer zie ik mijn moeder treurend voor het donkere schilderij in de kamer staan.

Nee, Lientje kwam niet terug. Nee, ze zou haar kleinkinderen niet vasthouden. Nee. Nee. Nee.

Ik tekende een familieportret van de Millers naar een klein fotootje. Lientje, Ro en David in de tuin van hun ouderlijk huis aan de Andreas Bonstraat.

Eerder had ik David, de broer van Lientje en Ro, al geportretteerd. Ik liet de kwast rusten en ging met mijn handen en vingers verder. Het was net of ik David voorzichtig het colbert over zijn schouders trok. Een ontroerende sensatie. Zo tastbaar. Ik aaide met mijn vochtige vingers over zijn wang. Wat had deze man moeten lijden. Omdat hij een ster op zijn jas droeg werd hij bij de allereerste razzia op het Jonas Daniël Meijerplein opgepakt. Hij werd afgevoerd naar Mauthausen waar hij als proefkonijn een van de eersten was die in een gaskamer vermoord werd.

Een prachtige man, niet ouder dan vijfendertig.

Bij tante Ro, Davids zus, stond zijn trouwfoto als schaars aandenken op haar dressoir. Een staatsieportret.

Toen ik voor mijn gevoel met het portret van oudoom David klaar was wilde ik ook zijn vrouw Clara gestalte geven.

In de periode dat ik daarmee bezig was, wees iemand mij erop dat het graf van Clara Wessel op de Joodse Begraafplaats in Muiderberg lag, een paar honderd meter van ons huis. Voor het eerst had ik een plek om naartoe te gaan en stil te staan.

Ik maakte een foto van de grafsteen en schilderde de Hebreeuwse letters die op de zerk stonden boven de hoofden van het echtpaar. De karakters vloeiden als vanzelf op het doek terwijl ik in geen zestig jaar Hebreeuwse letters geschreven had. Op mijn veertiende had ik op het Joods Lyceum een jaar Ivriet gehad. Opeens kwamen de oude tekens terug. Wonderlijk hoe mijn hand gestuurd werd.

Toen het schilderij af was, moest ik gaan zitten en tot me door laten dringen wat ik verbeeld had.
Twee mensen, zo stralend vol liefde. Mijn moeder als bruidsmeisje. Bloemen, ja bloemen die verwelkten.

Op de steen stond: ‘Hier rust Clara Wessel’

Het geschetste familieportret van de Andreas Bonstraat bleef lang nog niet helemaal af in mijn atelier staan. Op een dag tekende ik er aan de rechterkant een klein meisje bij. Mijn moeder, Eva, op de stoep in de deuropening.

Oma Lientje, de vrouw met het hoedje, een mof om haar handen en een beetje arrogant lachje, kreeg voor mij plotseling een ander gezicht.

Deze bohemienne leek niet de volle zorg voor haar dochtertje op zich te willen nemen. Die taak liet ze door de week over aan haar ouders, mijn overgrootouders. Daarom staan opa en oma Miller achter hun kleindochter Eva in de deuropening. Oma’s hand troostend op haar schouder. Opa op de achtergrond uit het licht. Zijn grote postuur doemde op. Dit gezin was compleet tot de oorlog de familie uit elkaar reet. En er alleen maar verhalen overbleven.

Nadat ik lijfelijk de eenzaamheid van mijn moeder ervaren had, zette ik een nieuw doek op. Met haar als klein meisje, dat een pop kapottrapt, met op de achtergrond oma Eva Miller, mijn overgrootmoeder. Woedend als ze was op haar moeder Lientje die haar maar steeds in de steek liet. Haar bij de Millers dropte als een pop.

Als ik Lientje diep in de ogen keek, wat lukte als ik de foto op de computer vergrootte, begon ik te twijfelen. Waarom liet zij als moeder haar kind zo vaak in de steek? Was poseren voor beroemde schilders zoveel belangrijker dan zorgen voor haar kleine dreumes, Eefje?

De minnaar van Lientje, Hijman Croiset, was als acteur en anarchistisch redenaar, een beroemdheid in zijn tijd. Hij was vierentwintig jaar ouder dan Lien en had een flink aantal kinderen bij verschillende vrouwen, met wie hij anarchist zijnde nooit had willen trouwen. Eenentwintig was Lien toen ze zwanger van hem raakte.

Liens vader, Abraham Miller, eiste dat Hijman met haar ging trouwen. Blijkbaar was Hijman geïmponeerd door zijn aristocratische verschijning en trad in 1922 in het huwelijk met Carolina Miller, om haar niet veel later trouwens te verlaten.

Van Hijman heb ik twee foto’s kunnen vinden. Eén liggend op de grond en één staand.

Die laatste foto gebruikte ik om dichter bij deze vrijbuiter te komen. Een gedrongen, zo op het oog ijdele man.

Ik tekende het stel samen. Lientje keek op de foto een beetje brutaal in de lens, maar ook onderdanig. Al tekenend doemden zerken naast hun voeten op. Ik liet ze lopen op het lindelaantje van de familiebegraafplaats in ons dorp. Een plek waar we regelmatig komen omdat onze kleindochter daar begraven ligt.

Hijman overleed op achtenveertigjarige leeftijd aan angina pectoris. De aandoening die ik nu ook heb. Angina pectoris. Zit hij ook in mijn genen? Deze acteur. Deze kunstenaar.

Lien bleef dus op haar vierentwintigste al achter als weduwe met een dochtertje van drie, Eva, voor wie ze nauwelijks kon zorgen. Ze stalde Eva samen met haar lievelingspop door de week bij haar ouders. In de weekends mocht Eva in de kleine woning aan de Weteringstraat bij haar moeder op de grond slapen, terwijl vrolijke gasten, de beroemde schilders om haar heen draaiden.

Al vanaf 1933 ving Lien Joodse communisten uit Duitsland op die gevlucht waren voor het dreigend antisemitisme. Zo leerde mijn moeder niet alleen Duits spreken, maar hoorde ze al jong de verhalen over de gruwelijke behandeling van de Joden door de nazi’s. Dus toen Aus der Fünten een bezoek aan de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch bracht wist zij wat de gevolgen voor personeel en patiënten zouden zijn. En is zij met mijn vader de nacht voor de Duitse inval in januari 1943 gevlucht.

Ro, de zus van Lien, woonde nog bij haar ouders. Eefje werd door haar tante door de week naar school gebracht. En niet door haar eigen moeder, naar wie ze zo verlangde, dat heen en weer geslingerde kind. Een pop.

Een pop werd voor mij het symbool van de vermoorde onschuld. Steeds stak de pop haar kop op. Het enige tastbare wat ik uit mijn jeugd overgehouden heb, mijn eigen babypop, als model. Bloot zonder kleertjes.

Ik legde de pop in verschillende houdingen op de sokkel. Door haar te schetsen met houtskool schoten gedachten en verhalen door mijn hoofd. Een wildvreemd jongetje in de box. In het burgerweeshuis tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. Dat beeld wilde ik vastleggen. Die eenzaamheid.

De box, symbool voor gevangenschap. De pop dreef bij het knulletje weg. Alles werd hem ontnomen. Tot slot zijn leven.

Het schilderen kreeg me in zijn greep. De onderwerpen dienden zich als vanzelf aan.

Weer een box. Op de vloer van de box lag een vrouw in yogahouding te mediteren, omringd door kinderen die haar uit haar concentratie probeerden te halen. Op de voorgrond drijft een dood kind. Ben ik die vrouw? En wie is dat kind? Was het ons kleine jongetje?

Ik begon aan een schilderij over Jork, onze drie maanden oude zoon die ons op Texel ontviel. Ontstaan vanuit een simpel kerstkaartje, opgestuurd door Pepi, een dierbare vriend en huisarts, die me indertijd enorm hielp bij het reguleren van de medicatie voor mijn hart.

Een heilig prentje: Maria met in haar armen Jezus. Allemaal erg plastic, maar toch wilde ik het vereeuwigen. Tijdens het schilderen transformeerde het kindeke Jezus naar Jork. Een heilig kind. Hoe wonderlijk.

Hier leefde hij tussen bloemen en bomen. Een leven vol geluk. Zonder haat. De zon bescheen het hoofdje van het kind dat mijn leven gered heeft. Ik voelde de kracht van moeder en zoon.

Twee jaar later werd onze tweede zoon Jelle geboren.

Jaren later moest onze dochter Roos hetzelfde lot ondergaan toen haar zevenjarige dochtertje Maggie de zoveelste hartoperatie niet overleefde. Bijna acht jaar had dit wonderbaarlijke kind ons bestaan verrijkt met haar levenslust. Vanzelfsprekend moest ik haar schilderen. Kijkend naar de foto’s die er van haar waren probeerde ik haar dromerige blik te vangen. Ze was zo wijs, het leek wel of ze besefte dat haar leven kort zou zijn. Zij leerde me hoe ik oma kon zijn.

Dat ik begonnen ben de familie van mijn moederskant te portretteren had te maken met het feit dat er veel meer beeldmateriaal van hen was.

Van mijn vaderskant beschikte ik over niet meer dan een schoolfoto van Rebecca, mijn vaders zusje. En een pasfoto van zijn moeder.

Ik begon met Rebecca. Elf jaar. Ze zag er op de foto prachtig uit. Een grote strik, een kettinkje van goud, een armbandje en een horloge. Het fascineerde me. Juist dat horloge voor een elfjarige in die tijd. Mijn vader had me altijd verteld dat ze arm waren. Ik beeldde me in hoe ze trots vanaf haar huis in de Jodenhouttuinen de hoek omliep naar school. Met haar netjes gestreken jurk vol kleine rode lovertjes en haar sieraden om.

Het portret werd zachtroze, de kleur van flamingo’s. Zo moet Rebecca geweest zijn: zachtroze.

Tijdens het schilderen gingen mijn gedachten naar mijn vader die zijn zusje intens gemist had. Pas na zijn hartinfarct op zijn vijfenzestigste verging hem het geloof dat ze op een dag aan zou bellen en hem om de hals zou vallen met de woorden: ‘Ik ben het, Rebecca.’

Toen het portret van Rebecca aan de muur hing, kreeg ik meteen de vraag:

‘Is dat Anne Frank?’

Begrijpelijk, alle Joodse meisjes van die leeftijd in die pose hadden wel iets van Anne Frank. Allemaal hadden ze hun verhaal, allemaal waren ze stralend en hoopvol. Allemaal zijn ze omgebracht.

Toen ik opa Isaäc Asser wilde gaan schilderen stond ik voor het probleem dat mijn vader wel altijd vol was van Lientje, zijn schoonmoeder, maar nooit iets vertelde over zijn vader. Pas op mijn vierenzestigste, tijdens de opnames van mijn documentaire Verlies niet de Moed, hoorde ik dat hij een marskramer geweest was. Een hardwerkende man die het hele land bereisde met zijn mars vol scheermesjes, bretels en andere spullen.

Ik fantaseerde mijn opa lopend door een besneeuwd landschap. Op zoek naar vrouw en kind.

Toen was oma Asser aan de beurt. Bij haar voelde ik niet de band die ik met Lientje had meegekregen. Zij was toch ook mijn oma. Haar naam werd verzwegen. Dankzij het archief van tante Ro kwam ik erachter dat ze Anne heette en dat ze de tweede vrouw van mijn opa was. Het bleek dat Isaäc Asser eerder getrouwd was geweest met Esther Kreveld die hem twee zonen had geschonken.

Jacques Asser, van wie ik onlangs een foto kreeg toegestuurd groeide op in een weeshuis in Laren. Een mooi straatschoffie met pet. Op zijn vierentwintigste is hij omgekomen in Auschwitz. Wie weet schilder ik hem ooit nog voor in de portrettengalerij.

Mijn vaders halfbroer Philip Asser bleek in 1920 al te zijn overleden toen hij drie maanden oud was. Wat voor mij heel confronterend was. Waarom heeft mijn vader daar nooit met mij over gesproken toen mijn kind op diezelfde leeftijd overleed? We hadden het kunnen delen. Wat een gemiste kans.

In het juwelenkistje van mijn moeder vond ik als kind het enige tastbare van oma Anne Asser: een trouwring. Ze moet een mollige hand hebben gehad want de ring lubberde om mijn eigen vinger.

Bij het uitvergroten van haar pasfoto oogde ze klein en gedrongen.

Ik herenigde het gezin door ze gedrieën op het doek te zetten. Opa op zoek naar vrouw en kind. In een verloren landschap.

Hoe zou mijn vader, als hij nog geleefd had, op dat schilderij gereageerd hebben? Zou hij dan bereid geweest zijn om zijn stilzwijgen te verbreken?

Ik vond dat ik mijn familieleden nu allemaal een gezicht had gegeven. Tot ik een lezing in het Verzetsmuseum bijwoonde over de 600 kinderen die uit de Joodse crèche gered zijn. Daar bedacht ik dat er nog een persoon ontbrak: Hella Simonis. Geen familie.

Een vriendinnetje van mijn vader op wie hij, zoals ik later van hem begrepen heb, heimelijk verliefd was geweest. Ze zaten bij elkaar in de klas van het Barlaeus Gymnasium. Toen in 1942 alle Joodse kinderen de school moesten verlaten vond Hella Simonis werk in het Joodse Weeshuis als kinderverzorgster. Mijn vader die besloten had om onder te duiken, vroeg haar om mee te gaan naar de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch waarvan gezegd werd dat Joden daar veilig waren. Maar ze koos ervoor om voor de kinderen in het weeshuis in Amsterdam te blijven zorgen. In 1943 is ze samen met de kinderen naar Westerbork gedeporteerd. Kort daarop zijn ze naar Sobibor afgevoerd en allemaal vergast.

In de ogen mijn vader was ze een heldin. En daar werd ik naar vernoemd. Hoe kon ik dat ooit waarmaken?

Wat een vrouw. Wat een naam.

Het schaamte- en schuldgevoel dat mijn vader kwelde over de keuze die hij gemaakt had zou ik nooit weg kunnen nemen.

Hella, juist haar wilde ik door haar te schilderen ontmoeten.

Ik speurde op het internet en in het stadsarchief van Amsterdam, maar vond alleen haar naam en data van geboorte en overlijden.

Hella Simonis 7-03-1921 (Amsterdam) tot 05-03-1943 (Sobibor).

Dus probeerde ik haar in mijn fantasie op te roepen en tot leven te brengen. Gelijkenis speelde voor mij geen rol. Voor mij is dit Hella. De kindjes om haar heen vertrouwden haar. De kinderboxen werden ingeklapt. De poppen werden op een stapel gegooid. En ons restte het verhaal van een heldin.

Klik op een afbeelding om te vergroten en te bladeren.

Heden

‘Is schilderen therapie voor je?’ was een terugkerende vraag bij mensen die bij mij in mijn atelier kwamen kijken.

‘Nee, het is werk,’ beweerde ik. 

Kon ik deze vraag wel beantwoorden? Kan ik van mezelf zeggen wat ik aan het doen ben? Ik doe maar wat. En ook weer niet. Ik doe wat ik moet doen vanuit een innerlijke noodzaak. Is dat therapie of is het werk? 

Het is mijn leven. 

Ik werk in de geest van mijn opa Croiset, de artistieke. 

Mijn oma Lientje, de dappere. 

Mijn tante Ro, de onverstoorbare. 

Mijn leven is werken. Mijn werk is leven. Strijden, vechten, knokken, dansen, stilstaan, ademhalen. 

Hella, de volhardende. 

‘Waarom wil je eigenlijk exposeren?’ was de volgende vraag.

‘Om te communiceren, te delen, vast te leggen wat ik zie, voel en weet. Het uitzonderlijkste is dat ik zelf nog telkens verrast word wat er nog allemaal aan mijn brein ontspruit.’

‘Jouw thema’s dragen zoveel dramatiek in zich. Ik vind de onderwerpen heel verdrietig. Jouw kleindochter! Daar moet ik van huilen.’

‘Natuurlijk is het om te huilen. Maar dat hoeft niet. Mij doet het goed. Op deze manier is ze heel dicht bij ons. Het geeft moed.

Ik laat me ook door het tragische inspireren. Het Oekraïense meisje. Het jongetje in de box. Ieder boek dat ik lees, elke film die ik zie kan me nieuwe inzichten bieden. Bijvoorbeeld De Keuze van de psychologe Edith Eger, waarvan ik leerde hoe belangrijk het is om te kiezen tussen slachtoffer blijven of uit die rol stappen. Dat blijft ingewikkeld, omdat de slachtofferrol veilig lijkt en je moet knokken om daarvan los te komen. 

Door wat zich de afgelopen vier jaar in de wereld heeft voorgedaan, ben ik strijdbaarder dan ooit.’

2020. De wereld stond op zijn kop. Corona, die ons dwong tot isolatie. De theaters werden gesloten. De danseres werd verplicht dagelijks training in haar huiskamer te doen. De circusacrobaat kon slechts droevig toekijken hoe de clown in zijn woonwagen opgesloten zat. Ons theaterwerk stopte ook. We kregen zeeën van tijd. 

Daarom besloot ik de beelden die opdoemden te vangen met een penseel. Dik en dun. Zwart, wit of gekleurd. 

Ik schilderde prikkeldraad. Hekken. Boxen. Poppen. Mensen. Gebouwen. Bloemen. Wolken. 

Vroeger was het klei waarmee ik mijn verhalen vormgaf. Nu meng ik modelleerpasta met verf alsof het klei is. Vroeger zette ik kostuums in elkaar, nu zie ik de patronen terug op het doek. 

2022. Rusland viel Oekraïne binnen. We zagen gruwelijke beelden van duizenden vluchtende mensen. Kinderen die de trein in geduwd werden. 

De nacht na de inval droomde ik dat ik me ergens op een perron in Polen bevond. Omgeven door duizenden mensen die duwden, trokken en schreeuwden. Koffers vlogen door de lucht. Grijpende handen.

Zwetend werd ik wakker. Voor het eerst realiseerde ik me hoe diep de vluchtangst van mijn ouders zich in mij genesteld had. Tegen het begrip tweede generatie heb ik me altijd verzet. Ik voelde me geen oorlogsslachtoffer. Maar dit keer ervoer ik lijfelijk dat ik wel degelijk hun trauma met me meedraag. Vijf jaar op de vlucht voor het grote gevaar, doodsangsten uitstaan, dat hebben mijn ouders, zonder te willen, op me overgedragen. Ik was dat kind op het perron in mijn nachtmerrie.

De volgende morgen pakte ik een doek en schetste een meisje in de trein op weg naar niets. En zag door die razende trein de vergelijking. Vluchten in 2022. Vluchten in 1943. Afgevoerd worden. Deuren dicht. Slot erop. Zwart, wit. Licht en donker. 

Voor het meisje in het licht is er misschien een plaats waar ze veilig met haar pop kan spelen. 

Ik kijk naar de wereld en schilder. Voel mee met de Afghaanse vrouwen die verplicht door de Taliban gesluierd in lichaamsverhullende kleding moeten lopen. 

Ik denk aan de Israëlische gijzelaars en hun wanhopige familie, de uitgehongerde Palestijnse kinderen en hun radeloze ouders. Ik voel me machteloos en schilder.

Wat zal er, als ze het overleven, van al deze beschadigde mensen worden? Hoe gaan zij hun kinderen opvoeden? Kunnen ze voorkomen dat ze de opgelopen trauma’s weer overdragen op hun kinderen? Kunnen ze de liefde laten overwinnen? Hun woede bedwingen? 

Tegen de beschadigingen die ze hebben opgelopen is geen therapie opgewassen. 

Het waren de kwast, de viool, de klei en naald en draad die mij rust en geluk hebben gebracht. En dat gun ik iedereen. 

Alle foto’s van schilderijen door Claudia Otten


Hella in haar atelier

Hella (2020)
Foto Annemarie Bakker.
Hella (2021)
Foto Ronald Speijer.

 

Hella in haar atelier (2021). Foto Claudia Otten
Foto: Claudia Otten
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Hella-Andre-1024x683.jpeg
Foto: Andre Smits (Artist In The World)