SLAA Lezing 2006

Over de grens: Hella de Jonge

Heeft de uitroep ‘Maar er zijn grenzen!’ nog iets te betekenen in een tijd waarin de wereld via internet bereikbaar is? Natuurlijk wordt een samenleving niet louter bepaald door steeds verder voortschrijdende technologie. Grenzen blijken overal aanwezig: in de vorm van (ongeschreven) codes, wetten en regels, normen en waarden. Blijkbaar zijn er grenzen nodig om als samenleving te kunnen functioneren. Is het voor kunstenaars, wetenschappers en schrijvers noodzakelijk om grenzen te overschrijden, of is dat inmiddels een achterhaald fenomeen? Hella de Jonge maakt in haar boek Los van de wereld (2006) duidelijk welke grenzen haar werden opgelegd in haar jeugd en hoe zij zich ‘los van de wereld’ zong. Als kunstenares is zij van vele markten thuis: edelsmid, danseres, beeldend kunstenaar, violiste, decor- en kostuumontwerpster, en sinds kort ook schrijfster. Een talent dat zij van haar vader Eli Asser heeft geërfd. In haar boek blikt Hella de Jonge terug op haar ouderlijk huis:
‘Wij hadden geen familie, dat werd ons dagelijks voorgehouden. Wij waren zielige kinderen, want wij hadden geen opa, geen oma. Wij hadden geen tantes en ooms. Allemaal vermoord in de oorlog.
Maar ik voelde me niet zielig, want ik kende die familie niet. En wat je niet kent mis je niet. Toen ik begon mijn eten te weigeren, werd ik wel zielig. Ik deed het niet bewust, het ging vanzelf. Eerst voelde ik me er goed bij. Tot het moment dat ik met mijn hoofd boven een bakje yoghurt zat en mijn vader mij ruw de keuken in sleurde omdat ik het niet op wilde eten. Ik had geen trek meer, nooit meer. Ik wilde alleen nog voor anderen zorgen. Ze te eten geven, aan hen laten zien dat ik lief was. Dat ik van ze hield. Ik had totaal geen besef welke schade ik aan mijn lichaam aanrichtte. Wat het voor de rest van mijn leven zou gaan betekenen.’ (p.22/23)
In haar lezing ‘Je kunt meer dan je denkt’ vertelt Hella de Jonge wat het belang is van grenzen overschrijden, los van de wereld komen, maar ook van grenzen stellen. Margot Dijkgraaf gaat vervolgens met Hella de Jonge in gesprek over haar werk, waarvan gedurende het programma beeldmateriaal te zien is. Als klap op de vuurpijl zingt Freek de Jonge een aantal liedjes achter de piano, begeleid op gitaar door Cok van Vuuren. Zie voor meer informatie www.helladejonge.nl

11 december 2006 – 20 uur – De Balie, Amsterdam


Tekst van de lezing:

Over grenzen en grenzeloosheid.

“Een mens kan meer dan hij denkt.”

De aanleiding dat ik hier sta is dat mijn boek grensoverschrijdend blijkt te zijn. Er wordt mij regelmatig gevraagd: kun je publicatie moreel verantwoorden nu je vader nog leeft? Mijn antwoord is: ja. Ik ben de dochter van een -zeker in mijn kindertijd- beroemde schrijver die niet schroomde zijn eigen kinderen tot onderwerp van zijn verhalen te maken. Er is mij nooit gevraagd of ik daar prijs op stelde. Nu wil dat niet zeggen dat ik daarom maar in het wilde weg te werk ben gegaan. Integendeel, ik heb er zwaar over nagedacht maar voelde me om meerdere redenen niet verplicht aan hem. Eerlijk gezegd hoopte ik heel diep van binnen een brug tussen ons te kunnen slaan. Aanvankelijk koesterde ik weinig verwachtingen. Zo langzamerhand murw misschien, omdat ik al zoveel pogingen gedaan had begrip te krijgen van mijn ouders. Ik had op vele manieren geprobeerd aan te geven hoe we onze onvrede zouden kunnen oplossen. Dus het boek kwam er en het wonder deed zich voor dat mijn vader begrip kon opbrengen voor mijn motivatie. Sterker nog: wij kunnen nu communiceren, elkaars hand vasthouden en positief aan elkaar denken. Ik heb niet langer het gevoel schuldig te zijn.

Pag.46. Zondag, 6 oktober. Vandaag zou mijn moeder tachtig jaar geworden zijn. Het regent, het is guur buiten. De rozenstruiken bewegen hevig. De wind smijt de blaadjes tegen de grond. Zijn dat nog steeds blaadjes voor mijn moeder? Ik denk het wel. De herfst laat het laatste restje verdwijnen.

Vallen. Loslaten. Ze ligt diep onder de grond. Op haar hoofd rusten de rozenblaadjes. De struiken die ik rondom mij moest planten om haar kwade geest buiten te sluiten zijn zo goed als verdord.

Mijn vader leeft nog. Tegen zijn karakter heb ik geen struiken nodig. Hij draagt geen kwade geesten met zich mee. Maar zolang de geest van mijn moeder hem kwelt, is het heel moeilijk hem lief te hebben.

Ik mis een vader. Ik mis de man die hij werkelijk is. Ik zou zo graag met hem samen willen zijn. Zien dat hij steeds meer bobbeltjes op zijn hoofd krijgt, dat zijn haren steeds meer verdwijnen. Horen dat hij steeds moeilijker gaat praten.

Voelen dat hij verdriet heeft.

Hij zegt dat hij anders wil gaan leven, alleen weet hij niet hoe. Op het moment dat ik hem probeer te helpen trekt hij zich terug.

Ik voel me schuldig dat ik niet voor hem zorg. Maar ik wil helemaal niet voor hem zorgen zolang hij mijn vragen negeert.

Hij weigert zich van de uitspraken van mijn zuster te distantiëren. Hij vindt het heel normaal dat zij tegenover ongeveer honderdvijftig mensen gezegd heeft dat ik medeverantwoordelijk was voor de dood van mijn moeder. Als ik daar met hem over probeer te praten, zegt hij simpelweg:

‘Zo was het, het moest maar eens gezegd worden.’

Dan doemen de zondagen weer op.

‘Jij bent de schuld van de hoge bloeddruk van je moeder, jij bent de schuld, jij bent de schuld.’

Soms dreunen die akelige beschuldigingen weer in mijn kop. Gelukkig kan ik vrij snel om die gekte lachen en mijzelf

geruststellen: Wat is schuld eigenlijk?

Zolang je zelf weet dat je niet fout geweest bent, hoef je je niet schuldig te voelen. Sinds ik me dat realiseer, loop ik niet meer gebukt. Voel ik me zo goed als bevrijd.

En op zondag nog wel.

Maar het lukt me niet altijd. Vooral niet op zondag. Het schuldgevoel verwart me: gaat het wel goed met mijn vader? Verveelt hij zich, kijkt hij uit het raam? Gaat hij bellen om te zeggen dat hij het anders wil? Is hij verdrietig?

In 1969 heb ik mijn man leren kennen. Hij kwam uit een gezin dat totaal tegenovergesteld was aan het gezin waar ik uit kwam. Wij spraken thuis nooit over liefde. Bij hun was dat meer vanzelfsprekend. Het stond in de bijbel.

Wij kenden geen bijbel. Mijn ouders hadden het geloof afgezworen en hun vermogen om lief te hebben was ernstig beschadigd. Daar wilde ik het met ze over hebben.

Pag.92. Mijn vriend, mijn man. Mijn grote inspirator. Bij hem wilde ik zijn, naar hem wilde ik luisteren. Zijn levensinzichten waren zo anders dan de mijne. Onze achtergronden verschilden zo onnoemelijk van elkaar. Terwijl ik geleerd had mij vechtend een weg te banen door een vijandig leven, liet hij mij zien dat er een andere kant was. Wij waren thuis zonder God en gebed opgevoed, terwijl bij hem die God juist zeer aanwezig was.

Toen mijn ouders helemaal berooid uit de oorlog waren gekomen, stonden ze voor de keus: in Nederland blijven en het jodendom afzweren, of naar Israël gaan en de zionistische idealen van voor de oorlog voortzetten.

Ze besloten in Nederland te blijven. De reden was tante Ro. Van haar waren ook alle familieleden afgenomen, haar broer David, haar zus Lientje, haar ouders. Ze had alleen nog haar nichtje Eefje. Tante Ro had tijdens de oorlog kunnen blijven doorwerken. Ze bleef ’s nachts op haar kantoor en sliep in een kleine ruimte achter een boeken- kast. Tante Ro was 45 jaar en kon het niet opbrengen de overstap naar Israël te maken. Mijn ouders wilden haar niet alleen laten. Ze besloten bij elkaar te blijven en gingen met zijn drieën samenwonen. Tante had werk en verdiende het geld. Zij betaalde de huur. Mijn ouders hadden vrijwel niets. Ze hadden van de overheid een rijksdaalder gekregen.

Mijn moeder had van parachutestof waar Canadese voedselpakketten aan hadden gehangen een bloes gemaakt.

De beslissing om het geloof af te zweren was door omstandigheden ingegeven. Maar het was geen kloppende gedachte.

Mijn vader bleef joods. Hij was in de Jodenbuurt geboren en opgegroeid. Op emotionele momenten kwamen hun joodse gevoelens heftig naar boven. Mensen die hen niet begrepen waren in hun ogen onmiddellijk antisemieten

Hier kun je uit vaststellen dat mensen door angst gedwongen vaak hun grenzen verleggen. Het zionistische ideaal dat voor de oorlog iets heiligs was, was nu alleen nog gevaarlijk. Zij overschreden hun grenzen door het geloof af te zweren.

Nog een reden mijn levensverhaal door te willen geven is wat er nu in ons land gaande is. Wij hebben vele grenzen verlegd, maar plotseling leek het genoeg te zijn. Dat schiep het probleem van de 26 000 asielzoekers die niet mochten blijven. Mocht het Generaal Pardon niet door gaan zullen er een groot aantal mensen de illegaliteit in gaan. Onderduiken. Hetzelfde wat indertijd mijn ouders overkwam. Met dezelfde angst en dezelfde verkramping -weliswaar onder minder levensbedreigende omstandigheden- maar toch. De stress die daar uit voortvloeit zal niet alleen voor de huidige generatie beschadigingen geven, maar ook aan de volgende generatie. Zoals blijkt uit mijn verhaal. In mijn jeugd ben ik -uit wanhoop- regelmatig tot de grens gegaan of erover. Zo weigerde ik een bepaalde periode te eten.

Pag. 87 We waren in de zomer van 1963 met het gezin met vakantie.

Op een zondagmiddag gingen we naar de kermis in Bretagne. Ik had mijn tweejarige broertje in een vliegtuigje van een draaimolen gezet. De molen zette zich in beweging.

Zijn zwarte krullenkop kwam nauwelijks boven het ijzeren deurtje uit, twee bruine oogjes keken stralend de wereld in.

Telkens als hij zwaaiend voorbij kwam, wuifden wij terug.

Toen de draaimolen stopte, wilde ik hem uit het metalen bakje halen. Ik klom het trapje op en voelde plotseling een harde zet in mijn rug. Het was mijn zus die mij opzij duwde om me voor te zijn. Ik viel voorover met mijn gezicht in de punt van de metalen vleugel. Bloed droop over mijn wang.

Ik schreeuwde het uit van pijn en angst: ‘Ik word blind!’

Drama!

Woedend waren mijn ouders. Moesten ze weer door mijn schuld naar een dokter. En ook nog op zondag. In Frankrijk.

De dokter hechtte de wond onder mijn oog en plakte er een dik verband met pleisters overheen.

Terug op de camping werd ik verplicht om de rest van de dag in ons tentje te blijven. Ik hoorde de anderen praten.

Etensgeuren drongen mijn kleine ruimte binnen.

Opeens werd de rits opengetrokken. Mijn moeder hield door de spleet een kippenbout voor mijn neus.

‘Hier, eet op!’ zei ze en sloot de tent.

Eet op? Ik deed de rits weer omhoog, stak mijn hand naar buiten en liet de vette kluif in het zand vallen. Eten? Ik had geen trek meer. De wereld was zwart achter de rooddoordrenkte witte lap. Op dat moment moet mijn verzet begonnen zijn. Ik koos onbewust voor zelfdestructie. In een jaar tijd wist ik me zodanig uit te hollen dat ik nog maar 37 kilo woog. Er restten mij op het laatst nog maar twee keuzemogelijkheden.

Eraan gaan of blijven leven.

Ik heb toen letterlijk mijn grens bereikt, uiteindelijk koos ik voor het leven. Achteraf blijkt dat ik bij mijzelf enorme schade aangericht heb door toen standvastig te zijn. Ik heb mijn gezondheid danig ondermijnd. Op een gegeven moment menstrueerde ik niet meer, het hormonale systeem was verstoord. Mijn weerstand was voor altijd aangetast. Het kost me nog steeds moeite jonge meisjes te zien die ook zo ver afdwalen. In mijn tijd droeg mijn ziektebeeld nog niet de naam annorexia nervosa. Naar mijn idee heeft `niet eten` nu wel die naam gekregen, maar wat de werkelijke oorzaak is, is nog steeds niet duidelijk. Ik vermoed dat het  bij mij een combinatie was van niet begrijpen wat er om mij heen gebeurde, de vaststelling dat als ik niet at ik ook geen pijn in mijn buik had plus dat ik -min of meer door de omgeving opgedrongen- slank wilde zijn. Op dat laatste werd tijdens balletlessen altijd erg gehamerd. Omdat het mij lukte uit het dal te komen kwam ik tot het inzicht dat een mens tot veel meer in staat is dan hij denkt. Dit is de sleutelzin van mijn betoog.

Een mens kan meer dan hij denkt.

Op het ogenblik toeren mijn man en ik met leesvoorstellingen in het land. Ik had Emmy Verhey gevraagd om de voorstelling op te fleuren met vioolspel. Tot mijn verbazing zei ze: ja!  Als vanzelfsprekend staan we samen een aantal liedjes te begeleiden. Door haar aanwezigheid voel ik me veilig op mijn viool. De noten en de muziek maken me onafhankelijk. Gewoon gaan staan en spelen, mooi en overtuigend. Het overtrof mijn stoutste verwachtingen.

Op mijn achtendertigste veranderde mijn spijsverteringssysteem. Oorzaak:

beschadigingen uit het verleden, een onbekende tropenvirus, mijn genen en de aanraking met zware metalen vanwege mijn werk. Jarenlang heb ik ongeremd met metalen en glazuren gewerkt. Ik maakte gebruik van een afzuiginstallatie, deed altijd een mondkapje voor en handschoenen aan, toch ben ik waarschijnlijk te gedreven en daardoor te onnadenkend geweest. Mijn immuunsysteem is aangetast. Ik liet het uitzoeken in het ziekenhuis, ik heb behoorlijk veel afdelingen gezien en er regelmatig ernstig ziek gelegen.

Braaf slikte ik wat mij voorgeschreven werd, maar ik kwam er al snel achter dat de medicatie me nog verder achterop hielp. Toen ben ik zelf op onderzoek gegaan. Eigenwijs geluisterd naar mijn lichaam.

Pag. 128. ‘Dit mag je nooit gebruiken!’

Het leek of Freek het uitschreeuwde. Het bracht me aan het wankelen. Waar had hij het in godsnaam over? Het was het eerste wat hij zei, toen we verdwaasd tegenover elkaar op het duin in Texel stonden. Verscheurd door de schok.

Grote, donkere wolken hadden zich rond mijn hoofd samengetrokken.

‘Wat bedoel je?’

‘Dit mag je nooit gebruiken zoals jouw ouders de oorlog gebruikt hebben!’

We waren vrolijk, flink bepakt uit Amsterdam vertrokken.

Samen met onze twee kleintjes zouden we een week vakantie vieren op het eiland waar we precies een jaar eerder onze zoon verwekt hadden. Ik was mijn pessarium vergeten mee te nemen en had na die ontdekking geroepen:

lang leve de lol. En lol kregen we. Het was meteen raak. Ik was zwanger. Een trotse buik. Een moeilijke buik.

Na zeven maanden zwangerschap had ik het gevoel of ik nauwelijks over de trambaan heen kon stappen, zo topzwaar was die buik. Het werd een zware, onprettige bevalling, waarbij ik half in coma, waarschijnlijk door een te hoge dosis slaapmiddel, zonder bijna iets te beseffen een prachtige baby baarde. Jork. 1 november 1973.

Na vier dagen moest zijn bloed gewisseld worden, hij was te geel. We ijsbeerden door de gang van het ziekenhuis. Af en toe ging ik op mijn tenen staan om te proberen door een raampje een glimp van mijn kindje op te vangen. Hij was zo ver weg. Zo van mijn borst weggerukt door handen uit witte jassen. Ik kon net zien hoe ze zich rond een grote tafel over hem heen bogen. In mijn peignoir wilde ik die deur wel open smijten. Met een wit vertrokken gezicht hield ik me in en wachtte gespannen tot we ons kereltje weer in onze armen konden nemen.

‘Neemt u hem gerust mee naar huis, hij is gezond.’

Hij was prachtig, met zijn warme hoofdje en zijn roze haartjes.

Met zijn vieren vierden wij het nieuwe jaar.

We stuurden al onze vrienden een nieuwjaarskaart. Een foto van ons jonge gezin. Jork lag verzadigd van de melk in mijn armen in zijn roze-rood gestreept kruippakje. Op zijn buik hadden we met veiligheidsspelden een briefje met ‘1974’ gespeld. Roos zat dicht tegen mij aan en keek vertederd naar haar nieuwe broertje en als trotse ouders keken wij de lens in.

Twee dagen voor we naar Texel zouden gaan, had ik Jork met zijn gezicht op een bebloed lakentje aangetroffen. Ik tilde hem op en hield hem tegen me aan. Zijn hoofdje was warm. Hij had een bloedneusje. Het voelde niet goed. Ik belde de dokter, die me naar de kinderarts doorverwees.

In een grote wachtkamer zat ik met ons kleine mannetje te wachten. Ik legde hem dicht tegen mij aan. Hij hoorde nog zo in mijn lichaam.

‘Komt u binnen, wat kan ik voor u doen?’

Ik legde de arts uit dat ik onze zoon met zijn gezichtje in een cirkel van bloed aangetroffen had, dat ik het niet vertrouwde en dat we over twee dagen met vakantie zouden gaan. De kinderarts onderzocht hem en zei: ‘Ach mevrouwtje, gaat u toch lekker met vakantie. De jongen is prima gezond.’ Met deze diagnose stuurde hij me weg.

Mevrouwtje! Ik was 24 jaar, te jong om hem een weerwoord te geven. Hij sprak tegen me alsof er een overspannen gek tegenover hem zat die het gezinsleven niet aankon en die hard aan vakantie toe was. De arts had beter naar mijn moederinstinct moeten luisteren. Hij had gedaan of ik om aandacht was komen bedelen. Hij had niet serieus naar de baby gekeken. Ik voelde dat Jork niet in orde was, maar liet me door de dokter imponeren. Mevrouwtje ging met vakantie. Tijdens de reis naar Texel is ons kleine mannetje in de trein of in de bus, terwijl we hem nog lachend gefilmd hadden, in stilte vertrokken. Hij heeft niet meer gesnikt.

Hij heeft niets meer van zich laten horen. Hij heeft zijn hoofdje in het kussentje van zijn kinderwagen gelegd en is zachtjes doodgegaan.

En nu mocht ik zijn dood niet gebruiken. Verward stonden we tegenover elkaar op het duin. Mijn handen duwden Freek van me af. Ik wilde niet dat hij me nog verder aanraakte.

Hoe kon hij zoiets zeggen?

Het duurde vele jaren voor ik begreep wat hij op dat moment bedoeld had. Zijn woorden dreunden maar door mijn hoofd, maakten mij bang. Hoe kon hij dit vergelijken met de oorlog? Ik wilde immers niet zo zijn als mijn ouders.

Ik verkrampte. Heel langzaam begon het tot me door te dringen dat je je niet op leed kan laten voorstaan. Alle mensen lijden. Leed is iets waar je een vorm voor moet vinden.

Leren de betrekkelijkheid ervan in te zien waardoor je anders naar het leven kan gaan kijken. Die ene zin daar op die duintop, waar grassprieten traag om mijn voeten bewogen, heeft me uiteindelijk het inzicht gegeven wat ik met mijn leed zou kunnen doen.

Tegen dat neerbuigende mevrouwtje ben ik vele malen aangebotst en ik zal niet de enige zijn. Als artsen een ziektebeeld niet kunnen diagnosticeren zijn ze snel geneigd de symptomen een psychische oorzaak te geven. Ik heb door ervaring geleerd dat lichaam en geest één zijn. Zodra de stress te groot is laat het lichaam je in de steek en omgekeerd. Je moet je echter door de onmacht van de medische wetenschap niet zo in de hoek laten drukken dat je aan je geestelijk vermogen gaat twijfelen. Het vergt een behoorlijke dosis standvastigheid om je niet gek te laten maken.

In mijn zoektocht naar genezing raadpleegde ik vele alternatieve artsen, waaronder menig kwakzalver, bij toeval kwam ik tijdens onze tournee in Australië in een instituut dat patiënten op allergieën testte. Daar bleek na een aantal dagen van onderzoek dat ik voor heel veel stoffen allergisch was.

Door chemische overbelasting en medicijnen -o.a. antibiotica- veroorzaakt.

Ik kreeg een zogenaamd eliminatie-dieet. Wat inhield, beginnen met alleen rijst en dan telkens een nieuw product toevoegen. Als je een pijnaanval kreeg, wist je dat je het nieuwe product weg moest laten.

Deze methode heeft er voor gezorgd dat ik een buitengewoon leefbaar leven kan leiden binnen de grenzen die ik heb. Het eist flink wat discipline. Ik mag geen stap maken buiten de cirkel die ik om me heen getrokken heb anders gaat het mis. Naast dit dieet houd ik me aan een streng trainingsschema van een uur meditatie en lichamelijke oefeningen. Ondanks dit alles loop ik nog regelmatig tegen mijn grens aan, maar ik heb geleerd dat te accepteren.

Ik heb in mijn boek ook geprobeerd om aan de verwerking van dood een andere wending te geven.

Pag. 68 Waar was je mama, toen ons kind op het witte satijn in zijn kistje lag? In zijn roze-rood gestreept kruippakje. Opgebaard op een grote tafel onder een reusachtig kruis dat zo schuin over hem heen hing dat het leek of hij er ieder moment onder bedolven kon worden.

Werd er over hem gewaakt of was het de straf van God?

Ik was altijd zo bang gemaakt voor het geloof en nu boog Jezus Christus zich behoedzaam en tegelijkertijd dreigend over ons kindje.

Ik was nog zo jong en Jezus Christus zo kolossaal. Ben je toen al doodgegaan in mij, uit mijn gevoel verdwenen?

Waar was je, mama?

Ik hield zo van je. Ik vond je zo mooi. Ik wilde altijd dicht bij je zijn. Het maakte me niet uit hoe vaak ik mijn doorslagwerkje uit moest halen. Ik wilde alles voor je doen.

Ook al was jij boos, op de wereld, op mij. Je zat woest gespannen achter je naaitafel fanatiek steken door de stof te trekken. Jasje na rokje, na bloesje. Alles helemaal alleen voor jezelf. Om je aan de buitenkant mooier te maken terwijl je vanbinnen kookte.

Waar was je om mijn hand vast te houden toen we daar op dat eiland stonden met een dode baby? Ik had hem zo onnatuurlijk in zijn kinderwagen aangetroffen en hem hardhandig omgedraaid. Het was mijn baby niet meer.

Zijn gezichtje was aan de ene kant wit en aan de andere kant paars. Hij werd door een vreemde uit mijn handen gehaald en verdween slap als een lappenpopje over een schouder het hotel in. Ik wilde naar huis. Alleen maar naar mijn huis. Veiligheid zoeken bij jou, mama. Tegen je aan kruipen, huilen bij jou, jouw oorlelletje vasthouden. Geen seconde ging de gedachte door me heen dat jullie mijn thuis niet meer waren. Dat je me misschien nooit een thuis hebt kunnen geven, omdat jullie zelf ontheemd waren.

Vertrokken voor een korte vakantie met z’n vieren, keerden we ontredderd met z’n drieën op de Zandhoek terug.

Freek, onze kleine Roos en ik. Terug op de zwart-witte plavuizen die ik ooit een keer ondergekotst had. Je had me het stinkende braaksel zelf op laten ruimen.

Daar zat je, mama, als een bonk ijs. Tegenover je zat de huisarts, voor jou, moeder, om jouw bloeddruk te meten.

Jij had al te veel meegemaakt, jij moest beschermd worden.

Wat deed je dochter je nu weer aan? Dat kon je er niet meer bij hebben.

Jij, mijn moeder, bleek een onvolwassen groot mens.

Dit was niet meer mijn huis. Ik had me vergist. Ik had troost bij jou gezocht. Maar besefte nu dat ik die bij jou niet zou vinden. Ik had het gevoel dat ik moest kotsen. Ik moest die kamer uit. Weg van die zwart-witte plavuizen. Ik rende naar buiten, naar de brug. Ik had geen thuis.

Nadat het boek gepubliceerd was, kwam ik er via interviews achter dat ik geprobeerd heb het aanzien van de dood om te draaien zoals ik ons kind in de kinderwagen omdraaide. Wit. Paars. Ik wilde de dood een ander gezicht geven.

Niet verdrietig blijven en mijn omgeving er mee belasten zoals ik gewend was. Het anders doen. Proberen opgewekt te leven met de dood. Door de dood niet uit de weg gaan. Op mensen afstappen. Durven praten, durven huilen. De dood aanvaarden.

Pag.26 Roem. Succes. Ik ben ermee opgegroeid. Mijn vader was beroemd.

Wij mochten, als we stil waren, wel eens op zaterdag in onze pyjama’s naar beneden in de kamer bij de grote mensen.

Als driejarige zat ik tussen bekende acteurs uit het pro- gramma van mijn vader. Ko van Dijk, Conny Stuart, Hans Kaart, Hetty Blok, Rijk de Gooijer en Wim Sonneveld. Ze zaten rond de radio om naar Mimosa te luisteren. Het programma eindigde altijd met de kreet: ‘Van wie is die tekst?

Van Eli Asser.’ Er werd veel gelachen, in tegenstelling tot de rest van de week. Dan moesten we stil zijn, omdat er achter de deur, daar boven, iets heel belangrijks gebeurde.

Als het programma afgelopen was, de mooie stemmen, die zojuist nog uit de radio klonken, nog steeds door de kamer galmden en mijn moeder de glaasjes en flessen op de tafel zette, danste ik uit vreugde op mijn teentjes om mijn as. Mijn lange zwarte haren wapperden om mijn hoofd.

Rondgetold liet ik me bij één van de gasten op schoot vallen en genoot van alle aandacht.

Op mijn dertiende stond ik op de ophaalbrug bij de Zandhoek.

Een prachtig plekje aan het IJ in Amsterdam waar we sinds twee jaar woonden. Ik steunde met mijn ellebogen op de leuning. Plotseling kwamen er een paar jongens op mij af die gescandeerd ‘Eli Peterselie’ riepen. Ik voelde me bedreigd.

Waarom riepen ze dat? Ik begreep wel dat Eli Peterselie mijn vader was, maar waarom moest hij uitgescholden worden en wat had ik daarmee te maken.

Wat wist ik eigenlijk van mijn vader?

Ik zag hem tevreden neuriënd door het huis lopen. ‘Van wie is die tekst?’

Wat kon mij die tekst schelen.

Ik zou graag een lieve vader hebben. Die samen met mij over de reling keek. Naar de bootjes in de verte.

Die een arm om mij heen sloeg en zou zeggen: ‘Het is niet erg dat ze je plagen. Eli Peterselie stelt niets voor. Zij vinden het schijnbaar interessant. Het is maar buitenkant.

Daar gaat het niet om. Het is onbelangrijk.’

Maar ik stond daar alleen.

De jongens liepen lachend door.

Ik keek naar het zwarte water.

Vijftien jaar later was ik getrouwd met een man die ook beroemd was geworden. We woonden in een dorp bij het IJsselmeer. Op een dag haalde ik Jelle uit de peuterspeelzaal.

Hij was drie jaar.

Toen we al buitenstonden kwam ik tot de ontdekking dat we iets in de peuterspeelzaal hadden laten liggen.

Ik zei tegen Jelle: ‘Hou jij mijn fiets even vast, ik ben zo terug.’

Toen ik terugkwam zag ik hem staan met die grote fiets, armpjes omhoog en handjes aan het grote stuur. Hij bezweek zowat onder het gewicht van de zware fiets. Er rolde dikke tranen over zijn wangen.

‘Mama, wat is beroemd?’

Ik pakte de fiets gauw over en vroeg hem wat er gebeurd was.

‘Ze riepen: je vader is beroemd!’ In de verte zag ik een paar jongens wegrennen.

Ik tilde hem op, zette hem in zijn stoeltje, knuffelde hem en probeerde hem te troosten. ‘Lieverd, papa komt vaak op de televisie. Die jongens vinden dat spannend om dat naar jou te roepen.’

Het was nog zo kort geleden dat ik zelf op de ophaalbrug stond en uitgejouwd werd. Dat ik troost zocht. Maar dat mijn vader nauwelijks oog had voor het verdriet van de ander omdat hij volledig in beslag genomen werd door zijn eigen overleven.

Beroemdheid zou ons niet gelukkig maken. Ik wist dat ik mijn eigen kinderen altijd tegen de onzin van roem moest beschermen.

‘Wees maar niet bang.’

We fietsten samen naar huis. Jelle huilde niet meer. Trots zat hij voorop in zijn stoeltje. We fietsten langs het IJsselmeer.

Zagen de bootjes in de verte. We zwaaiden naar iedereen die we tegenkwamen. Ik voelde me zielsgelukkig.

Dit fragment spreekt voor zichzelf. Ik zie het als zegen dat ik de onzinnige buitenkant van beroemdheid gezien heb. Ook naar mijn kinderen heb ik gepoogd zo nonchalant mogelijk over die buitenkant te zijn. In de opvoeding was ik vaak een strenge moeder. Ik heb geprobeerd het er maar op los snoepen en tv- kijken te beteugelen. Ik denk dat het goed is grenzen te stellen voor het kind zijn latere ontwikkeling.

In mijn werk legde ik mijzelf nooit grenzen op, daar werd ik vanzelf door de techniek begrensd. Als ik bijvoorbeeld een vrouw op één teen op een schildpad wilde laten dansen kon dat niet. De massa van de klei zorgde ervoor dat ze omviel. De essentie voor de kunstenaar is het zoeken naar de uiterste grens tussen het mogelijke en onmogelijke. In de loop der jaren heb ik bij het maken van kostuums, rekwisieten en decors door het verzamelen van materiaalkennis en door telkens naar nieuwe vormen te zoeken mijn grenzen steeds verder kunnen verleggen. Het boek werd zo’n nieuwe vorm. Tijdens het schrijven merkte ik dat ik op dezelfde manier bezig was een beeld te scheppen als met klei. Eerst het staketsel construeren en daaromheen het lichaam boetseren vervolgens met het mes delen afsnijden en verplaatsen tot een evenwichtig geheel ontstaat.

In de tweede klas van de middelbare school deed ik mee aan een declamatie wedstrijd. Ik koos in mijn onschuld het gedicht “Het huwelijk” van Willem Elsschot. Met zware stem droeg ik voor: “en hoe zij opkeek als een stervend paard. Maar sterven deed zij niet al zoog zijn helse mond het merg uit haar gebeente.” Dat beeld is me altijd bij gebleven en ik heb mezelf altijd voorgehouden: dàt nooit!

Pag.161. Vijfenvijftig jaar. Ik leef. Heb mijn angsten overwonnen.

Heb het van mijn ziekte gewonnen. Heb me met het portret kunnen verzoenen. Het hangt niet in de huiskamer. Het hangt aan de witte muur in de werkkamer van mijn echtgenoot.

Als ik zijn kamer binnenstap, knipoog ik naar de donkere lijst. Ik heb geen enkele aandrang om het van de muur te trekken en weg te smijten. Al kan ik het soms nog moeilijk geloven dat die plek op de witte muur voor mij zonder donkere bijgedachten is.

Als ik naast mijn man in bed lig, mag ik mijn hoofd op zijn borst zonder haartjes leggen en me licht tegen hem aandrukken.

Hij streelt mij zacht en weet precies waar mijn littekens zitten. Overal, over mijn hele lichaam. Hij doet mij geen pijn. Bemint mij, bemint zichzelf en staat mij toe mijzelf te beminnen.

Ik zoek zijn hand. Ik vind zijn hand. Zijn grote hand, mijn kleine hand. Ik knijp erin. Moet huilen. Mijn tranen smaken naar troost. Ik laat mij troosten, ik ben veilig onder de dekens. Ik duw hem niet weg, zoals ik op dat duin gedaan had. Ik krul me dicht tegen zijn grote lichaam aan. Ik streel de rimpels op zijn hoge voorhoofd. Kus zijn bijzondere hoofd waarin het brein voortdurend in beweging is. Ik wil hem troosten. Mijn natte tranen over zijn ingevallen wangen wrijven. Tranen van geluk. Omdat ik durf te blijven staan op het duin waarvan de top steeds hoger wordt. Ik sta tegen hem aan. Het duin begint langzaam te bewegen.

Ons kind zweeft boven ons op een wolk en wij cirkelen eromheen.

Zoon, wat heb je ons veel gegeven. We zijn nog altijd bij elkaar. Wat heb je me veel geleerd. Geleerd dat een portret niet alleen de dood is in de kamer. Maar dat de dood ook lief kan zijn. Een wolk. Een baby.

“Een relatie klopt als er evenwicht is. Dat betekent dat bijvoorbeeld de beide partners zich evenveel opofferingen moeten getroosten”,  merkte ooit een kennis op die psychiater was. Daar kon ik me goed in vinden. Af en toe slaat de balans door. Dan is het zaak ervoor te zorgen door geven en nemen hem weer gelijk te trekken. Daarbij laat ik mij helpen door mijn creativiteit, maar vooral door de liefde.

Pag.171. Vertel ons verhaal, dat was wat het portret in de kamer me vanaf de muur ingefluisterd heeft. Mijn oma lokte me met haar droevige ogen: ‘Kom dicht bij me staan kleine, spits je oor in de buurt van mijn mond. Luister. Laat de wereld zien hoe jij denkt dat het anders kan. Kinderen maken is niet de kunst. Ze dragen wel. En dan niet als mooie poppen.

Maar als grote mensen.’